Onregelmatige inkoop van eigen aandelen: geen restitutieplicht van de ontvangen verkoopprijs voor de aandeelhouder?

Het hof van beroep te Antwerpen sprak op 27 maart 2025 een arrest uit over de gevolgen van de niet-naleving van de voorwaarden voor de inkoop van eigen aandelen.[1] Rechtspraak op dit vlak is zeldzaam, vooral omdat de betrokkenen bij dergelijke transacties doorgaans geen direct nadeel ondervinden dat specifiek voortvloeit uit de niet-naleving van deze wettelijke voorwaarden. De gevolgen voor schuldeisers kunnen nochtans groot zijn.

Het arrest van 27 maart 2025 en voorgaanden

Bij het faillissement van de bv KT COMPANY komt aan het licht dat de vennootschap een bedrag van 17.500 euro had betaald aan een aandeelhouder bij een inkoop van eigen aandelen. De curatoren menen dat deze transactie in strijd was met de statuten en de wettelijke voorwaarden van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV), en vorderen terugbetaling van het bedrag.

Het hof stelt vast dat de dwingende regelgeving inzake inkoop van eigen aandelen inderdaad niet was nageleefd. Zo ontbrak een voorafgaand besluit van de algemene vergadering, werd niet nagegaan of het uit te keren bedrag uitkeerbaar was volgens de netto-actief- en liquiditeitstest, en werd geen onbeschikbare reserve aangelegd.

Aandelen die worden ingekocht met overtreding van de voorwaarden in het WVV, zijn van rechtswege nietig (art. 5:146 WVV). Het hof bevestigt evenwel dat de onderliggende verkooptransactie wél geldig blijft. Omdat deze transactie geldig blijft, is de betaling van de prijs voor de aandelen niet onverschuldigd gebeurd en kan de vennootschap de koopprijs niet terugvorderen. De nietigheid van de aandelen zou bovendien verhinderen dat partijen tot wederzijdse restitutie kunnen overgaan.

Een eerder arrest over deze materie dateert al van 2006, maar oordeelde in dezelfde zin. Twee uittredende aandeelhouders dagvaardden de vennootschap nadat deze laatste de koopprijs voor de ingekochte eigen aandelen niet had betaald. Ook hier bleken de voorwaarden voor de inkoop van eigen aandelen niet te zijn nageleefd, maar oordeelde het hof in zijn arrest van 12 oktober 2006 dat de nietigheid van rechtswege van de aandelen niet verhindert dat de koopsom voor deze aandelen betaald moest worden.[2]

Kritiek op door WVV voorziene sanctie

De regulering van het inkopen van eigen aandelen is er gekomen om de verschillende stakeholders van de vennootschap te beschermen, waaronder de schuldeisers. Ter bescherming van de vennootschapsschuldeisers wordt een inkoop van eigen aandelen beschouwd als een uitkering, die aan dezelfde voorwaarden inzake uitkeerbare middelen moet voldoen als bijvoorbeeld een dividenduitkering.

Daarnaast moet o.a. een onbeschikbare reserve worden aangelegd (in principe gelijk aan de boek- of inventariswaarde van de ingekochte aandelen). Enerzijds vermijdt dit dat de reserves die voor de verwerving van de eigen aandelen zijn aangewend, opnieuw zouden kunnen worden uitgekeerd. Anderzijds heeft de onbeschikbare reserve een signaalfunctie voor het fictieve karakter dat de ingekochte aandelen als activa op de balans hebben, aangezien er geen deelname van een derde en dus geen “echt” vermogen tegenover staat.

Samen met verschillende andere auteurs, stellen wij de nietigheid van de onregelmatig ingekochte eigen aandelen als passende sanctie in vraag. Door de nietigheid verdwijnen de eigen aandelen (en zodoende de “fictieve” activa) wel van de balans van de vennootschap, maar de betaalde koopprijs komt niet terug in het vennootschapsvermogen.[3] Dit bedrag verdwijnt dus als verhaalsmogelijkheid voor schuldeisers van de vennootschap.

In de rechtsleer wordt er dan ook voor gepleit om de lege ferenda (zoals andere Europese lidstaten[4]) bij een onregelmatige inkoop van eigen aandelen eerst een verplichting tot wedervervreemding binnen een bepaalde tijdsperiode op te leggen, en pas daarna de nietigheid van de aandelen als ultimum remedium te laten gelden. Of nog, om de sanctie erin te laten bestaan om de nietigheid van de inkoopverrichting zelf te kunnen vorderen (hetgeen dan noodzakelijk de nietigheid van de aandelen zelf als sanctie zou moeten vervangen). Zo zou de schade voor de vennootschap en haar schuldeisers beter kunnen worden hersteld.[5]

Uitzonderingen – terugvordering wel mogelijk

Het WVV voorziet uitdrukkelijk dat de besloten vennootschap een uitkering kan terugvorderen die in strijd met de netto-actief- en/of liquiditeitstest is verricht, ongeacht of de begunstigde te goeder of kwader trouw is (art. 5:144 WVV). De naamloze vennootschap kan uitkeringen terugvorderen die in strijd zijn met de netto-actieftest, indien de begunstigde te kwader trouw (art. 7:214 WVV). Is het bedrag van de koopprijs van de eigen aandelen niet uitkeerbaar volgens deze testen, dan kan de vennootschap dit in deze gevallen dus wel terugvorderen.[6]

Een meerderheid van de rechtsleer gaat verder en meent dat de koopprijs ook bij andere onregelmatigheden dan de strijdigheid met de uitkeringstesten zou kunnen worden teruggevorderd, indien de begunstigde aandeelhouder niet te goeder trouw is. De invulling van dit begrip ‘goede trouw’ is evenwel onduidelijk. Het hof van beroep te Antwerpen lijkt alvast te aanvaarden dat een aandeelhouder niet meteen te kwader trouw wordt enkel en alleen omdat hij weet dat de algemene vergadering geen machtiging tot inkoop gaf, iets wat hij als aandeelhouder nochtans per definitie zou moeten weten.[7]

Besluit

De rechtspraak blijft schaars, maar de lijn is duidelijk: het vennootschapsrecht biedt geen algemene terugvorderingsmogelijkheid bij schending van de regels rond inkoop van eigen aandelen. De onderliggende verkooptransactie blijft geldig, en er volgt dus geen verplichting tot restitutie van de ontvangen koopprijs uit de schending van de wettelijke voorwaarden. Voor curatoren en schuldeisers is het dus niet eenvoudig om via deze weg betalingen terug te vorderen. De vraag voor een wijziging van de sanctie de lege ferenda blijft dan ook actueel.

Anneleen Steeno           Ellen Gijsen


[1] HvB Antwerpen 27 maart 2025, DAOR 2025, afl. 4, 120.

[2] HvB Antwerpen 12 oktober 2006, RW 2007-08, 708, noot; zie ook Kh. Hasselt 23 november 2004, RW 2005-06, 1111.

[3] Zie ook N. HALLEMEESCH, “Art. 5:145-5:151 WVV” in X., Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2023, 83, nr. 55.

[4] De Tweede Richtlijn 77/91/EEG liet toe dat lidstaten zouden bepalen dat eigen aandelen die op onregelmatige wijze werden ingekocht, binnen één jaar moesten worden vervreemd en dat bij gebreke aan tijdige wedervervreemding pas de nietigheid zou intreden.

[5] R. TAS, Winstuitkering, kapitaalvermindering en -verlies in NV en BVBA, Biblo, 2003, 318; D. BRULOOT en K. MARESCAU, “Inkoop van eigen aandelen: naar een nieuw juridisch kader”, TRV 2007, (359) 387; R. TAS, “De nietigheidssanctie bij een onrechtmatige verkrijging van eigen aandelen”, noot bij Kh. Hasselt 23 november 2004, TRV 2005, 49; H. DE WULF, noot bij Kh. Hasselt 23 november 2004, TBH 2006, afl. 4, 459; N. HALLEMEESCH, “Art. 5:145-5:151 WVV” in X., Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2023, 84, nr. 55.

[6] N. HALLEMEESCH, “Art. 5:145-5:151 WVV” in X., Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2023, 84, nr. 56.

[7] Zie ook K. GEENS, M. WYCKAERT, C. CLOTTENS, F. PARREIN, S. DE DIER en S. COOLS, “Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen 1999-2010”, TPR 2012, (73) 496, nr. 451.