Waarom een verkoper van aandelen een schadevergoeding onder de verklaringen en waarborgen in principe beter rechtstreeks aan de koper betaalt en niet aan de vennootschap
Aan een aandelenoverdracht gaan doorgaans uitgebreide onderhandelingen vooraf over de verklaringen en waarborgen die de verkoper over de verkochte aandelen en over de (juridische, financiële, fiscale, operationele en andere) toestand van de betrokken vennootschap dient te geven en het bijhorende schadevergoedingsmechanisme. Daarbij komt niet alleen de vraag aan bod in welke gevallen de verkoper aansprakelijk is, maar ook welke beperkingen op de aansprakelijkheid van de verkoper onder de verstrekte verklaringen en waarborgen gelden. In de praktijk focussen partijen zich bij die discussies – terecht – vaak op de financiële aansprakelijkheidsbeperkingen zoals een maximumbedrag (de zogenaamde cap) en de minimumdrempels die moeten worden overschreden om überhaupt te kunnen vorderen van de verkoper (denk daarbij bv. aan een zogenaamde de minimis of basket) en op de termijnen waarbinnen de koper een vordering moet instellen tegen de verkoper. Een ander belangrijk punt, waar in de praktijk – ten onrechte – doorgaans veel minder aandacht aan wordt geschonken, is de begunstigde van de schadevergoeding.
Onregelmatige inkoop van eigen aandelen: geen restitutieplicht van de ontvangen verkoopprijs voor de aandeelhouder?
Het hof van beroep te Antwerpen sprak op 27 maart 2025 een arrest uit over de gevolgen van de niet-naleving van de voorwaarden voor de inkoop van eigen aandelen.[1] Rechtspraak op dit vlak is zeldzaam, vooral omdat de betrokkenen bij dergelijke transacties doorgaans geen direct nadeel ondervinden dat specifiek voortvloeit uit de niet-naleving van deze wettelijke voorwaarden. De gevolgen voor schuldeisers kunnen nochtans groot zijn. Het arrest van 27 maart 2025 en voorgaanden Bij het faillissement van de bv KT COMPANY komt aan het licht dat de vennootschap een bedrag van 17.500 euro had betaald aan een aandeelhouder bij een inkoop van eigen aandelen. De curatoren menen dat deze transactie in strijd was met de statuten en de wettelijke voorwaarden van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV), en vorderen terugbetaling van het bedrag. Het hof stelt vast dat de dwingende regelgeving inzake inkoop van eigen aandelen inderdaad niet was nageleefd. Zo ontbrak een voorafgaand besluit van de algemene vergadering,
Kan een geheimhoudingsverbintenis zonder tijdsbepaling steeds worden opgezegd?
In de M&A praktijk zijn geheimhoudings- of vertrouwelijkheidsverbintenissen een noodzakelijk onderdeel van het overnameproces. Het lijkt vanzelfsprekend dat gevoelige of vertrouwelijke informatie door middel van een geheimhoudingsovereenkomst wordt afgeschermd. Alvorens informatie wordt gedeeld willen partijen dat deze informatie wordt beschermd tegen oneigenlijk gebruik en niet wordt gedeeld met personen die niet betrokken zijn bij de transactie. Niet altijd wordt een duurtijd opgenomen voor deze verbintenis. Vaak ook bewust: de informatie moet op elke moment vertrouwelijk blijven. Volgens artikel 5.75 BW geldt een overeenkomst zonder tijdsbepaling in principe als een overeenkomst van onbepaalde duur, die in beginsel steeds opzegbaar is met een redelijke opzegtermijn. Vanuit deze logica zou een geheimhoudingsverbintenis zonder expliciete tijdsbepaling dus eenzijdig kunnen worden beëindigd, waardoor vertrouwelijke informatie alsnog aan derden zou kunnen worden meegedeeld. Om dergelijke onzekerheid te vermijden, voorzien contractspartijen vaak een vaste termijn, niet zelden vijf of tien jaar. De termijn waarin de informatie vertrouwelijkheid behoeft, is op voorhand moeilijk in te schatten. De vraag
Het scheidingsaandeel bij de statutaire uittreding en uitsluiting in BV en CV: één van de grootste anomalieën in het vennootschapsrecht
Het wettelijke uitgangspunt voor de begroting van het scheidingsaandeel bij een uitsluiting en uittreding lastens het vennootschapsvermogen in BV of CV is dat een aandeelhouder zijn werkelijk gestorte en niet terugbetaalde inbreng krijgt tenzij deze hoger ligt dan de netto-actiefwaarde van de aandelen zoals die blijkt uit de laatst goedgekeurde jaarrekening. In die laatste hypothese wordt de begroting gebaseerd op de netto-actiefwaarde. (art. 5:154-5:165 en 6:120-6:123 WVV) Deze suppletieve berekeningswijze is strenger dan onder het W. Venn. waar de uittredende of uitgesloten aandeelhouder recht had op de netto-actiefwaarde van zijn aandelen. Zowel een waardering tegen netto-actiefwaarde als tegen de historische inbrengwaarde zijn bovendien statische waarderingsmethodes: zij brengen de goodwill niet in rekening. Dit wettelijke uitgangspunt leidt dan ook tot een absurd laag scheidingsaandeel. Waarom is dit een probleem en hoe kan dit probleem opgevangen worden 1. De ratio achter het lage scheidingsaandeel Deze anomalie kan enkel verklaard worden door de ratio achter deze uittredings- of uitsluitingsmogelijkheid te bekijken. De suppletieve
De schriftelijke besluitvorming door de algemene vergadering – een handig doch vaak misbegrepen instrument
We schreven in deze blog al eerder over wettelijke alternatieven voor de fysieke aanwezigheid van aandeelhouders op een algemene vergadering (zie “Uit het oog, maar niet uit het hart: alternatieven voor fysieke aanwezigheid op algemene vergaderingen”). Een veelgebruikt, en door ons ook vaak geadviseerd, instrument daarbij is de techniek van de schriftelijke besluitvorming. We stellen in de praktijk echter vast dat er nog vaak misvattingen bestaan over wat de schriftelijke besluitvorming nu wel en niet is en gaan daar in deze blogpost dieper op in. De algemene vergadering van een vennootschap (of een VZW) heeft een aantal bevoegdheden waarin zij beslissingen moet nemen, denk daarbij o.a. aan de goedkeuring van de jaarrekening of de benoeming en ontslag van bestuurders. Een algemene vergadering kan via twee procedures, die losstaan van elkaar, tot een geldige beslissing komen: De klassieke manier, namelijk een fysieke bijeenkomst van de aandeelhouders waarop na beraadslaging de beslissing wordt genomen; of De eenparige schriftelijke besluitvorming. De fysieke bijeenkomst
De omvang van de gehoudenheid van een verkoper van niet-volgestorte aandelen tot volstorting
Het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) voorziet in artikel 5:66 (BV) en 7:77 (NV) in de hoofdelijke gehoudenheid tot volstorting van zowel de overdrager als de overnemer van niet-volgestorte aandelen. Deze wettelijke bepaling is van dwingend recht en laat niet toe dat partijen contractueel anders bepalen. De overdrager is pas bevrijd van deze hoofdelijke aansprakelijkheid nadat er vijf jaren zijn verstreken na de (tegenstelbaarheid van de) overdracht. Wordt de overdrager aangesproken, heeft hij wel een regresvordering op de overnemer (tenzij contractueel anders was bedongen). De gehoudenheid geldt voor het bedrag waarvoor de aandelen niet werden volgestort, ongeacht het tijdstip waarop de schulden van de vennootschap ontstonden. De regeling van het WVV geldt evenwel enkel voor overdrachten die plaatsvonden ná de inwerkingtreding van het WVV (1 januari 2020, of 1 mei 2019 voor vennootschappen opgericht na die datum of bestaande vennootschappen die uitdrukkelijk kozen voor een vroegere inwerkingtreding). Gebeurde de overdracht vóór de inwerkingtreding van het WVV, zal de gehoudenheid